ECLI:NL:CRVB:2006:AY4872

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-2019 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking besluit UWV en terugverwijzing naar bezwaarfase in WAO-uitkering

Appellante stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch waarin haar beroep tegen een besluit van het UWV ongegrond werd verklaard. Het UWV had haar arbeidsongeschiktheidsuitkering herzien van 45-55% naar 15-25% en het bezwaar ongegrond verklaard. Tijdens de zitting trok het UWV het bestreden besluit in vanwege een onjuiste arbeidskundige grondslag.

Door deze intrekking is de procedure terugverwezen naar de bezwaarfase, waardoor appellante geen belang meer heeft bij de beoordeling van het hoger beroep. De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk.

Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV in de proceskosten van appellante voor zowel de beroeps- als hoger beroepsfase, en bepaalde dat het UWV het betaalde griffierecht aan appellante moet vergoeden. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer op 21 juli 2006.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard vanwege intrekking van het bestreden besluit door het UWV, waarna de procedure terugkeert naar de bezwaarfase.

Uitspraak

04/2019 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 18 maart 2004, 02/3389 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),
Datum uitspraak: 21 juli 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.A.C. Stas, werkzaam bij FNV Ledenservice te Weert, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2006. Appellante is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door G.A.H.T. Heymans.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 24 september 2001 heeft het Uwv de uitkering van appellante, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55 %, met ingang van 22 augustus 2001 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25 %.
Bij besluit van 25 oktober 2002 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen dat besluit ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Ter zitting heeft het Uwv het bestreden besluit ingetrokken onder overweging dat de arbeidskundige grondslag daarvan onjuist is.
Nu het Uwv het bestreden besluit heeft ingetrokken, heeft appellante geen belang meer bij een beoordeling van het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit in stand is gelaten.
Het hoger beroep is derhalve niet-ontvankelijk.
Door het intrekken van het bestreden besluit is de procedure weer in de bezwaarfase beland, zodat het Uwv een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellante zal dienen te nemen.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal
€ 966,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van (in totaal) € 131,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2006.
(get.) G.J.H. Doornewaard.
(get.) D.W.M. Kaldenhoven.
MK