ECLI:NL:CRVB:2006:AY4915

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-6413 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens termijnoverschrijding in bijstandszaak

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het College van burgemeester en wethouders van Arnhem dat een bezwaar op grond van de Wet werk en bijstand ongegrond verklaarde. Het beroep werd door de rechtbank Arnhem niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de zeswekentermijn voor het indienen van het beroepschrift.

In hoger beroep heeft appellant zich tegen deze niet-ontvankelijkverklaring verzet. De Centrale Raad van Beroep heeft de toepasselijke wettelijke bepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toegepast, die bepalen dat een beroepschrift binnen zes weken na bekendmaking van het besluit moet worden ingediend. Bij verzending per post geldt een ruime ontvangsttermijn van een week na afloop van de termijn.

De Raad constateert dat het beroepschrift op 12 juli 2005 door de rechtbank is ontvangen, terwijl de uiterste ontvangstdatum bij postverzending 11 juli 2005 was. De Raad laat in het midden of het beroepschrift per post is verzonden, maar oordeelt dat appellant in verzuim is geweest en dat de niet-ontvankelijkverklaring door de rechtbank terecht is uitgesproken.

De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en het hoger beroep wordt verworpen. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

Uitspraak

05/6413 NABW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 12 oktober 2005, 05/2522 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, (hierna: College).
Datum uitspraak: 11 juli 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2006. Appellant is verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.A. de Ronde, werkzaam bij de gemeente Arnhem.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 10 mei 2005, verzonden op 23 mei 2005, heeft het College het bezwaar van appellant tegen een besluit op grond van de Wet werk en bijstand ongegrond verklaard. Daarbij heeft het College vermeld dat, binnen zes weken, beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank Arnhem.
Bij brief, gedateerd op 4 juli 2005, bij de rechtbank ontvangen op 12 juli 2005, heeft appellant beroep ingesteld tegen het besluit van 10 mei 2005.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geldt het volgende.
De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn gaat in op de dag na die waarop een besluit op bezwaar door middel van - onder andere - toezending van een afschrift aan partijen is bekendgemaakt.
Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
Het bestreden besluit is op 23 mei 2005 aan appellant verzonden. De termijn voor indiening van een beroepschrift ving derhalve aan op 24 mei 2005 en eindigde op 4 juli 2005. Bij verzending per post is het beroepschrift tijdig ingediend indien het niet later dan op 11 juli 2005 door de rechtbank is ontvangen. Vast staat dat de rechtbank het beroepschrift op 12 juli 2005 heeft ontvangen. Derhalve is niet voldaan aan het bepaalde in het tweede lid van artikel 6:9 van Pro de Awb, waarbij de Raad in het midden kan en zal laten of sprake is geweest van verzending per post.
Ten aanzien van een na afloop van de gestelde termijn ingediend beroepschrift blijft ingevolge artikel 6:11 van Pro de Awb niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Hetgeen appellant in dit verband heeft aangevoerd bevat geen grond waarop redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat hij niet in verzuim is geweest.
Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat de rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en C. van Viegen en W.I. Degeling als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.C. Visser als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2006.
(get.) A.B.J. van der Ham.
(get.) R.C. Visser.
RB2006