ECLI:NL:CRVB:2006:AY4976
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gezamenlijke huishouding en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenplicht
In deze zaak gaat het om de vraag of appellant en [P.] een gezamenlijke huishouding voerden in de zin van de Algemene bijstandswet (Abw) en of het College terecht bij appellant mede de terugvordering van bijstand heeft ingesteld wegens schending van de inlichtingenplicht.
Het College had de bijstandsuitkering van [P.] ingetrokken omdat zij niet had gemeld dat zij en appellant sinds 15 januari 2003 een gezamenlijke huishouding voerden. Vervolgens werd het bedrag van de bijstand teruggevorderd van zowel [P.] als appellant. De rechtbank had het bezwaar van appellant tegen de terugvordering deels gegrond verklaard en het College opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Bij het nieuwe besluit handhaafde het College de terugvordering met een verbeterde motivering. De Raad stelde vast dat appellant en [P.] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en blijk gaven van wederzijdse zorg, onder meer door gezamenlijke huishoudelijke taken en financiële afspraken. De Raad oordeelde dat het College terecht aannam dat sprake was van een gezamenlijke huishouding en dat de terugvordering terecht mede op appellant werd gericht.
Het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het nieuwe besluit van het College in de plaats was gekomen van het eerdere besluit. Het beroep tegen het besluit van 20 mei 2005 werd ongegrond verklaard. De Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het terugvorderingsbesluit ongegrond verklaard.