ECLI:NL:CRVB:2006:AY5224
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-uitkering met terugwerkende kracht en terugvordering wegens niet gemelde werkzaamheden
Betrokkene, een voormalig nieuwbouwschilder, ontving sinds 1991 een WAO-uitkering wegens knie- en psychische klachten. Appellant herzag in 2000 de uitkering met terugwerkende kracht vanaf 20 februari 1995 naar een lagere mate van arbeidsongeschiktheid, mede op basis van niet gemelde werkzaamheden als schilder bij een werkgever tussen 1995 en 1998. Dit leidde tot terugvordering van onverschuldigde uitkeringen.
De rechtbank oordeelde dat de herziening met terugwerkende kracht onvoldoende was onderbouwd en vernietigde het besluit deels, met name de schatting van de arbeidsongeschiktheid per 20 februari 1995. Appellant ging in hoger beroep en stelde dat de niet gemelde 'zwarte' werkzaamheden een grond vormden voor terugwerkende herziening zonder voorafgaande aanzegging van functies.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde dat de niet gemelde werkzaamheden de herziening rechtvaardigen en dat geen aanzegging of uitlooptermijn vereist is. Wel oordeelde de Raad dat appellant ten onrechte functies had gebruikt die na de datum van herziening waren geactualiseerd. Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit voor zover het de herziening per 20 februari 1995 betreft en bevestigde het voor het overige. Het beroep van betrokkene werd ongegrond verklaard en appellant werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de herziening van de WAO-uitkering per 20 februari 1995 wordt bevestigd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.