ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6188
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering en boete wegens niet-melding werkzaamheden bij WAO-uitkering
Appellant ontving een WAO-uitkering die werd berekend op basis van een arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Het UWV ontdekte via gegevensuitwisseling dat appellant werkzaamheden verrichtte en inkomsten genoot gedurende de periode van 1 oktober 2006 tot en met 31 juli 2008, zonder dit te melden. Op basis hiervan werd de uitkering met terugwerkende kracht aangepast en beëindigd per 1 augustus 2008.
Daarnaast werd door het UWV een bedrag van € 8.944,05 teruggevorderd als onverschuldigd betaalde uitkering en een boete van € 900,-- opgelegd wegens schending van de mededelingsplicht. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd overwogen dat het beginsel van rechtszekerheid geen toepassing vond omdat appellant redelijkerwijs kennis had kunnen dragen van de gevolgen van zijn inkomsten op de uitkering.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de inkomensgegevens niet overeenkwamen met zijn loonstroken en dat er geen sprake was van verwijtbaar handelen. De Raad liet echter nieuwe stukken buiten beschouwing wegens schending van de procesorde, onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde het bestreden besluit. De opgelegde boete werd als evenredig beoordeeld gezien de ernst van de overtreding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering en boete wegens niet-melding werkzaamheden bij WAO-uitkering.