ECLI:NL:CRVB:2006:AY5358

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-2916 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid per 20 december 2002

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om haar per 20 december 2002 geen WAO-uitkering toe te kennen wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep is overwogen dat de situatie per 20 december 2002 bepalend is, niet die van maart 2003 toen appellante een postnatale depressie kreeg.

De Raad stelde vast dat de door appellante ingebrachte medische verklaringen geen bewijs leverden dat zij op de peildatum reeds leed aan een postnatale depressie. De verklaringen van betrokken specialisten waren terughoudend en gaven eerder aan dat niet alle symptomen toen aanwezig waren.

Hoewel appellante een problematische zwangerschap en bevalling had en later een depressieve stoornis werd vastgesteld, leidt dit niet tot een ander oordeel over haar arbeidsongeschiktheid per 20 december 2002. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WAO-uitkering per 20 december 2002 wordt bevestigd.

Uitspraak

04/2916 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 26 april 2004, 03/1163 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),
Datum uitspraak: 28 juli 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.M. Brink, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. H.D. Wind, advocaat te Haarlem. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. J.B. van der Horst.
II. OVERWEGINGEN
Het inleidend beroep richt zich tegen het besluit van het Uwv van 6 juni 2003, waarbij het Uwv heeft gehandhaafd zijn besluit van 17 januari 2003. Met het besluit van 17 januari 2003 heeft het Uwv geweigerd appellante per 20 december 2002 een WAO-uitkering toe te kennen, omdat zij per die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt was.
De rechtbank heeft het beroep van appellante bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
De Raad neemt als vaststaand aan de feiten en omstandigheden als vermeld in de aangevallen uitspraak.
De Raad deelt het oordeel van de rechtbank en schaart zich achter de door de rechtbank in de aangevallen uitspraak gebruikte overwegingen.
Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd geeft de Raad geen aanleiding tot een ander oordeel.
De Raad gaat er geenszins aan voorbij dat appellante een problematische zwangerschap en bevalling heeft doorgemaakt en dat zij na de bevalling van een tweeling in april 2002 een zware tijd heeft gehad. Eén en ander heeft er toe geleid dat appellante zich op advies van haar huisarts op 7 maart 2003 heeft aangemeld bij de crisisdienst van De Geestgronden, specialisten in geestelijke gezondheidszorg. Blijkens verklaringen van de zijde van De Geestgronden wordt op dat moment de diagnose depressieve stoornis gesteld.
Van doorslaggevend belang is echter niet de situatie per maart 2003, maar die per 20 december 2002. Het standpunt van appellante dat nu sprake is van een postnatale depressie de situatie per maart 2003 niet anders zal zijn dan kort na de bevalling en per 20 december 2002 wordt door de Raad niet gedeeld. Voor het standpunt dat de postnatale depressie zich eerder heeft geopenbaard dan in maart 2003 biedt hetgeen appellante naar voren heeft gebracht geen steun. Uit de verklaring van de psycholoog/psychotherapeut J.F. Vanstaen en de kinder- en jeugdpsychiater W. Weijer van 6 oktober 2003, die beiden betrokken zijn geweest bij de situatie ontstaan kort na de bevalling, waarbij beide kinderen met ernstige gezondheidsproblemen zijn opgenomen in verschillende ziekenhuizen, blijkt niet dat appellante in september 2002 – na die datum is er tussen enerzijds Vanstaen en Weijer en anderzijds appellante geen contact meer geweest – reeds leed aan een postnatale depressie. Zo aan deze verklaring al betekenis kan worden toegekend – de opsteller en de medeondertekenaar zijn zeer terughoudend in hun opvatting omdat zij niet werkzaam zijn in een “volwassenen setting” – volgt uit deze verklaring eerder dat appellante in september 2002 niet alle symptomen van een postnatale depressie had.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep:
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2006.
(get.) G.J.H. Doornewaard.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.