ECLI:NL:CRVB:2006:AY6139
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vernietigt weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid
Betrokkene was werkzaam als interieurtimmerman en werd op staande voet ontslagen wegens vermeend onrechtmatig verzuim. Hij betwistte het ontslag en vorderde wettelijke schadeloosstelling. Na het ontslag nam hij een tijdelijke functie aan bij een ander bedrijf, waarvoor hij geen ervaring had. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) weigerde de WW-uitkering omdat betrokkene verwijtbaar werkloos zou zijn geworden door het niet handhaven van het beroep op nietigheid van het ontslag.
De rechtbank oordeelde dat betrokkene niet verwijtbaar werkloos was omdat hij direct na het ontslag passende arbeid had aanvaard en het beroep op nietigheid had laten varen om arbeidsrechtelijke en procesrechtelijke redenen. De Raad van Beroep stelde vast dat de rechtbank een onjuist toetsingskader had gehanteerd en dat betrokkene door het laten varen van het beroep op nietigheid feitelijk instemde met de beëindiging van het dienstverband.
Toch vond de Raad dat betrokkene niet in overwegende mate verwijt treft, mede vanwege de verstoorde arbeidsverhouding, het aanvaarden van een tijdelijke functie zonder ervaring, en het feit dat het dienstverband niet verlengd werd wegens ziekte. De Raad vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze overwegingen. Tevens werden de proceskosten aan betrokkene toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt het besluit tot weigering van de WW-uitkering en bepaalt dat betrokkene niet in overwegende mate verwijtbaar werkloos is geworden.