ECLI:NL:CRVB:2006:AY6379
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekkingsbesluit WAO-uitkering wegens schending redelijke termijn
Appellant, die sinds 1989 wegens ziekte niet meer werkte en in 1995 medisch werd onderzocht, kreeg aanvankelijk een weigering van uitkeringen op grond van AAW en WAO. Dit besluit werd in 2000 vernietigd wegens onzorgvuldigheid en verouderde medische gegevens. In 2001 kende het UWV uitkeringen toe per 3 april 1990, maar trok deze per 28 juni 1995 weer in. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt anders.
De Raad stelt vast dat het UWV voldoende medisch onderzoek had verricht en dat er passende functies voor appellant waren. De stelling dat de gebrekkige Nederlandse taal het verkrijgen van werk onmogelijk maakte, wordt verworpen omdat dit niet in de beoordeling van arbeidsongeschiktheid wordt betrokken. Ook is volgens vaste jurisprudentie geen uitlooptermijn vereist bij intrekking met terugwerkende kracht.
De Raad constateert dat de procedure vanaf het bezwaar in juni 2001 tot de uitspraak in augustus 2006 ruim vijf jaar duurde, wat de redelijke termijn volgens artikel 6 EVRM Pro overschrijdt. De lange duur is niet gerechtvaardigd door complexiteit of gedrag van appellant. Het UWV heeft appellant daardoor onnodig lang het recht op een tijdige berechting onthouden. De Raad vernietigt het bestreden besluit, laat de rechtsgevolgen in stand, en veroordeelt het UWV tot een immateriële schadevergoeding van €1.500,- en tot vergoeding van proceskosten van €1.610,-.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens schending van de redelijke termijn en het UWV wordt veroordeeld tot schadevergoeding en proceskosten.