ECLI:NL:CRVB:2006:AY6671
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herziening dagloon en wettelijke rente bij WAO-uitkering
Betrokkene, laatstelijk werkzaam bij een werkgever, ontving vanaf 1990 een WAO-uitkering met een vastgesteld dagloon waarop hij aanvankelijk berustte. In 2002 verzocht hij om herziening van het dagloon met inachtneming van extra toeslagen en reisdagen. Het UWV stelde het dagloon in 2004 opnieuw vast, maar hield geen rekening met alle gevraagde toeslagen. Het bezwaar werd ongegrond verklaard, waarna betrokkene hoger beroep instelde.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het terugkomen op een onherroepelijk besluit een bevoegdheid is die terughoudend moet worden beoordeeld. Betrokkene slaagde er niet in voldoende bewijs te leveren voor de extra toeslagen, waaronder de CAO-toeslag. De Raad oordeelt dat het vaste maandloon niet wijzigt door extra vakantiedagen.
Ten aanzien van de wettelijke rente stelt de Raad vast dat het UWV vanaf de wettelijke beslistermijn na het verzoek rente verschuldigd is, maar erkent dat het UWV fouten maakte in de berekening, waaronder het niet vergoeden van rente over rente. De rechtbank vernietigde het besluit hierover terecht. De Raad veroordeelt het UWV tot betaling van proceskosten aan betrokkene.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt deels ongegrond verklaard en het UWV wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten en het nemen van een nieuw besluit.