ECLI:NL:CRVB:2006:AY7025
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslissing over toerekening en overneming provisie bij faillissement werkgever
Appellante was werkzaam als vertegenwoordiger bij een werkgever die failliet werd verklaard op 25 maart 2004. Zij ontving een vast salaris en een provisie van 1% over de omzet in haar rayon. Na het faillissement nam het UWV op grond van de WW bepaalde betalingsverplichtingen van de werkgever over, waaronder een deel van de opgebouwde provisie.
Appellante stelde dat de volledige provisie van €4.306,87, minus reeds betaalde voorschotten, door het UWV moest worden overgenomen omdat de provisie feitelijk pas in maart 2004 werd verdiend en uitbetaald. De rechtbank wees dit beroep af en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat de provisie gedurende het jaar geleidelijk werd opgebouwd en dat alleen het gedeelte dat viel binnen de WW-termijn van 25 december 2003 tot en met 25 maart 2004 voor overneming in aanmerking komt. Het standpunt van appellante dat de provisie moet worden toegerekend aan het moment van uitbetaling werd verworpen. De Raad zag geen reden om af te wijken van deze uitleg en bevestigde het bestreden besluit.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de eerdere uitspraak wordt bevestigd dat alleen de binnen de WW-termijn opgebouwde provisie door het UWV wordt overgenomen.