ECLI:NL:CRVB:2006:AY7059
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit herziening en terugvordering WW-uitkering wegens onvoldoende motivering
Appellant ontving vanaf 1 november 2000 een WW-uitkering en toeslag, maar het UWV stelde na controle vast dat hij tussen 6 november 2000 en 18 februari 2001 werkzaamheden had verricht zonder dit te melden. Het UWV herzag de uitkering, vorderde terugbetaling en legde een boete op. Appellant voerde aan slechts van 13 tot 25 november 2000 gewerkt te hebben en startte een procedure tegen de werkgever wegens onjuiste gegevensverstrekking.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit. In hoger beroep stelde het UWV zich op het standpunt dat de oorspronkelijke gegevens voldoende waren om het besluit te dragen. De Raad oordeelde echter dat slechts voor de periode 13 tot 25 november 2000 voldoende bewijs was en dat voor de rest onvoldoende duidelijkheid bestond over de werkzaamheden.
Daarom waren de herziening, terugvordering en boete niet deugdelijk gemotiveerd en moesten worden vernietigd. Het UWV werd opgedragen een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met het verzoek tot vergoeding van renteschade. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit van het UWV tot herziening, terugvordering en boete wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.