ECLI:NL:CRVB:2006:AY8035
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken belang na herziening WAO-uitkering
Appellante had bezwaar gemaakt tegen een besluit van het UWV waarbij haar een WAO-uitkering werd toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. De rechtbank had het bezwaar gegrond verklaard en het UWV opgedragen een nieuw besluit te nemen. Het UWV nam vervolgens een nieuw besluit waarbij de arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 15 tot 25%, maar trok later de uitkering per 30 december 2004 in. Na nadere heroverweging stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid per 9 april 2002 vast op 80 tot 100% en trok de intrekking van de uitkering in.
Appellante had geen bezwaar tegen de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid, maar betwistte de medische grondslag en verzocht om vergoeding van proceskosten, waaronder kosten van medische rapporten. De Raad oordeelde dat het UWV met het laatste besluit geheel aan het beroep tegemoet was gekomen en dat appellante daardoor geen belang meer had bij het hoger beroep. De Raad wees de vergoeding van kosten toe voor bepaalde deskundigen en proceskosten, maar wees vergoeding af voor rapporten van een niet-medische deskundige en niet-gespecificeerde kosten.
De Raad verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk, herroept het primaire besluit, verklaart het beroep tegen het tweede besluit gegrond, vernietigt dat besluit en veroordeelt het UWV tot vergoeding van schade en proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het UWV het bezwaarbesluit heeft herzien en appellante geen belang meer heeft bij het beroep.