ECLI:NL:CRVB:2006:AY8235
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- M.C.M. van Laar
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot terugvordering voorschotten WAO-uitkering afgewezen wegens ontbreken dringende reden
Betrokkene ontving sinds 1995 een WW-uitkering en werkte parttime. Na ziekmelding in 1998 werd zij in november 1998 hersteld verklaard. Het Uwv kende vanaf oktober 1999 voorschotten toe op een WAO-uitkering, terwijl de aanvraag uiteindelijk werd afgewezen wegens het ontbreken van een onafgebroken arbeidsongeschiktheidsperiode van 52 weken.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de afwijzing van de WAO-uitkering ongegrond, maar vernietigde het besluit tot terugvordering van voorschotten wegens overschrijding van termijnen door het Uwv en het ontbreken van nader onderzoek naar de financiële gevolgen voor betrokkene.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel over de afwijzing van de WAO-aanvraag en oordeelt dat het Uwv verplicht was de onverschuldigd betaalde voorschotten terug te vorderen. Er is geen dringende reden om van terugvordering af te zien, aangezien betrokkene geen onaanvaardbare financiële problemen heeft aangetoond en een afbetalingsregeling is getroffen.
Het hoger beroep van betrokkene tegen de afwijzing van de WAO-aanvraag wordt verworpen, het hoger beroep van het Uwv tegen de vernietiging van de terugvordering wordt gegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank wordt gedeeltelijk bevestigd en gedeeltelijk vernietigd.
Uitkomst: De terugvordering van onverschuldigde WAO-voorschotten wordt bevestigd omdat geen dringende reden tot kwijtschelding is gebleken.