ECLI:NL:CRVB:2003:AI0634
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Th.M. Schelfhout
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Vernietiging terugvorderingsbesluit WW wegens onvoldoende onderzoek en ontbreken invorderingsbesluit
Appellant had voorschotten ontvangen op een WW-uitkering over de periode juni tot september 1999, die het UWV later terugvorderde omdat hij niet aan de referte-eis voldeed. Appellant stelde dat hij financieel niet in staat was tot terugbetaling en vroeg om kwijtschelding. Het UWV beperkte de terugvordering tot het netto bedrag, maar stelde geen invorderingsbesluit vast. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat het UWV terecht dringende redenen aannam vanwege onaanvaardbare sociale en financiële gevolgen voor appellant, maar dat de beperking van de terugvordering niet voldoende was uitgewerkt. Verder was het onderzoek naar de relevante feiten onvoldoende en ontbrak het invorderingsbesluit, wat strijdig is met de Algemene wet bestuursrecht en de Werkloosheidswet.
De Raad vernietigt daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en beveelt het UWV een nieuw besluit op bezwaar te nemen waarbij een gedegen feitenonderzoek wordt verricht en een invorderingsregeling wordt vastgesteld. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.
Uitkomst: Het terugvorderingsbesluit wordt vernietigd wegens onvoldoende feitenonderzoek en ontbreken van een invorderingsbesluit; het UWV moet een nieuw besluit op bezwaar nemen.