ECLI:NL:CRVB:2006:AY8255
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- T. Hoogenboom
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verwijtbare werkloosheid en weigering WW-uitkering na ontslag op staande voet
Appellant was in dienst bij Trio Bedrijven en kreeg op 17 maart 2003 ontslag op staande voet. Hij verzocht het UWV om een WW-uitkering, die werd geweigerd omdat hij verwijtbaar werkloos werd geacht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan naar de feiten en omstandigheden voorafgaand aan het besluit, wat in strijd was met artikel 3:2 Awb Pro.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en verklaarde het beroep gegrond, maar oordeelde dat appellant wel verwijtbaar werkloos was geworden. Uit de stukken bleek dat appellant herhaaldelijk slecht functioneerde en op 15 maart 2004 onbehoorlijk reageerde op aanwijzingen van de werkgever, ondanks meerdere waarschuwingen.
De Raad verwierp het verweer dat het werk te zwaar was en concludeerde dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit, namelijk de blijvende weigering van de WW-uitkering, in stand konden blijven. Daarnaast werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd, maar de weigering van de WW-uitkering blijft in stand.