ECLI:NL:CRVB:2006:AY8690
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Betaling wettelijke rente over WAO-nabetaling en proceskostenveroordeling
Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, had aan betrokkene een WAO-uitkering toegekend met een onjuiste dagloonvaststelling. Na een verzoek tot herziening werd het dagloon met terugwerkende kracht verhoogd, maar appellant weigerde wettelijke rente over de nabetaling toe te kennen. De rechtbank verklaarde het bezwaar van betrokkene gegrond en kende wettelijke rente toe vanaf 14 dagen na het verzoek.
Appellant voerde aan dat de gevolgen van de onrechtmatigheid van het oorspronkelijke besluit voor risico van betrokkene moesten komen, omdat betrokkene geen rechtsmiddel had aangewend tegen de dagloonvaststelling en het verzoek tot herziening pas na lange tijd was gedaan. De Raad onderschreef het standpunt van appellant dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt.
De Raad constateerde echter dat appellant bij de berekening van de wettelijke rente een verkeerd rekenprogramma had gebruikt en rente over rente had verzuimd toe te kennen. Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, met de kanttekening dat appellant een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar van betrokkene.
Daarnaast veroordeelde de Raad appellant tot betaling van de proceskosten van betrokkene, begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand. Het hoger beroep van appellant werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen, het bestreden besluit wordt vernietigd en appellant wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.