ECLI:NL:CRVB:2006:AY8708
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Betaling wettelijke rente na onrechtmatige WW-uitkering en bezwaarprocedure
De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam over de betaling van wettelijke rente aan de erven van betrokkene. Betrokkene had een WW-uitkering ontvangen die onrechtmatig was vastgesteld, waarna na een verzoek in 2001 het dagloon met terugwerkende kracht werd verhoogd.
De rechtbank had bepaald dat appellant vanaf 1 februari 1994 wettelijke rente moest vergoeden. Appellant erkende de onrechtmatigheid van het oorspronkelijke besluit, maar stelde dat de gevolgen daarvan voor risico van betrokkene kwamen, mede omdat betrokkene geen tijdig rechtsmiddel had aangewend. De Raad onderschreef het standpunt van appellant dat wettelijke rente pas na afloop van de wettelijke beslistermijn over het verzoek verschuldigd is.
De Centrale Raad oordeelde echter dat het bestreden besluit op bezwaar vernietigd moet worden omdat appellant had nagelaten rente over rente toe te kennen. Het hoger beroep werd afgewezen, de aangevallen uitspraak bevestigd, maar met de verplichting voor appellant om een nieuw besluit te nemen dat rekening houdt met de overwegingen van de Raad. Tevens werd appellant veroordeeld in de proceskosten van de erven.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en appellant moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van de overwegingen, inclusief betaling van proceskosten.