ECLI:NL:CRVB:2006:AY8767
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking nabestaandenuitkering wegens onvoldoende bewijs gezamenlijke huishouding
Appellante ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Naar aanleiding van een anonieme tip startte de Sociale verzekeringsbank (Svb) een onderzoek naar haar leefsituatie, waarbij werd vastgesteld dat zij mogelijk een gezamenlijke huishouding voerde met betrokkene. Op basis van dit vermoeden werd de uitkering geschorst en later ingetrokken.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt anders. De Raad stelt dat de schorsing terecht was vanwege het gegronde vermoeden, maar dat het bewijs voor de intrekking onvoldoende is. Hoewel appellante en betrokkene afzonderlijke adressen hadden, is het aanhouden van aparte inschrijvingen niet per definitie uitsluitend voor samenwoning. Echter, de verklaringen van betrokkene en getuigen tonen aan dat er geen feitelijke gezamenlijke huishouding bestond.
De Raad weegt zwaar de gedetailleerde verklaring van betrokkene, die aangeeft dat zij slechts incidenteel samen waren en dat betrokkene ook elders verbleef. De verklaring van appellante over permanente samenwoning wordt niet ondersteund door andere onderzoeksgegevens en is inconsistent. Daarom vernietigt de Raad het besluit tot intrekking en het bestreden vonnis, herroept het intrekkingsbesluit en veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de nabestaandenuitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijke huishouding.