ECLI:NL:CRVB:2006:AY8811
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens handel in drugs en boete voor schending inlichtingenplicht
Appellant ontving bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage herzag en trok de bijstand in over de periode van oktober 2002 tot mei 2003 wegens niet gemelde inkomsten uit handel in drugs en detentie. Tevens werd een boete opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze besluiten ongegrond, waarbij zij het bewijs van handel in drugs baseerde op getuigenverklaringen en politieprocessen-verbaal. Appellant voerde in hoger beroep aan dat deze verklaringen onbetrouwbaar waren en dat hij onvoldoende inkomsten had om in zijn levensonderhoud te voorzien.
De Raad oordeelde dat voldoende vaststond dat appellant langer dan erkend in drugs handelde en daarmee de inlichtingenplicht schond. De intrekking en terugvordering van bijstand waren terecht. Het beroep tegen het boetebesluit van 5 april 2004 werd niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang, terwijl het beroep tegen het besluit van 21 juni 2005 ongegrond werd verklaard. De Raad veroordeelde het College tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen het boetebesluit van 5 april 2004 is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 21 juni 2005 is ongegrond verklaard; de intrekking en terugvordering van bijstand zijn bevestigd.