ECLI:NL:CRVB:2006:AY9755
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Intrekking WW-uitkering wegens gefingeerd dienstverband onvoldoende zorgvuldig onderzocht
Appellant was vanaf januari 2001 in dienst als bedrijfsleider bij een schoonmaakbedrijf op basis van een arbeidsovereenkomst voor negen maanden. Na beëindiging van het dienstverband vroeg hij een WW-uitkering aan, die werd toegekend.
Naar aanleiding van een fraudeonderzoek door de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (SIOD) en een aanvullend onderzoek van het UWV ontstond twijfel over de duur en het bestaan van het dienstverband. Het UWV trok daarop de WW-uitkering in en vorderde onverschuldigd betaalde bedragen terug, stellende dat sprake was van een gefingeerd dienstverband.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij zij het standpunt van het UWV steunde dat appellant slechts kort had gewerkt en dat het besluit niet onzorgvuldig was. Appellant stelde in hoger beroep dat het UWV ten onrechte vasthield aan een eerdere verklaring en dat het besluit onvoldoende zorgvuldig was genomen.
De Raad oordeelt dat het UWV zich uitsluitend baseerde op tegenstrijdige verklaringen van de boekhouder en appellant zonder deze te verifiëren. Gezien de onduidelijkheid en de twijfel over de betrouwbaarheid van de verklaringen, had het UWV een nader onderzoek moeten instellen. Het besluit is daarom niet met de vereiste zorgvuldigheid genomen en wordt vernietigd. Het UWV wordt opgedragen opnieuw te beslissen met inachtneming van deze uitspraak en wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WW-uitkering wordt vernietigd vanwege onvoldoende zorgvuldigheid van het UWV.