ECLI:NL:CRVB:2006:AY9769
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit nihil voorschot WW wegens onzorgvuldige voorbereiding bij vermeende werkweigering
Appellant werd op staande voet ontslagen wegens vermeende werkweigering op twee momenten in 2003. Hij vorderde doorbetaling van loon en een WW-uitkering. Het UWV stelde het voorschot op de WW-uitkering op nihil vanwege vermoedelijke verwijtbare werkloosheid. Appellant maakte bezwaar, dat werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellant dat geen sprake was van werkweigering en dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan naar de omstandigheden van het ontslag. De Raad oordeelde dat het UWV terecht alleen over het voorschot besloot omdat onzekerheid bestond over het loonrecht, maar dat het UWV onvoldoende had onderzocht welke omstandigheden tot het ontslag hadden geleid.
Het UWV had zich vooral gebaseerd op de kantonrechter die het ontslag aannam zonder nadere motivering, en had de verklaringen van appellant en getuigen onvoldoende meegewogen. De Raad vond dat het UWV de werkgever nader had moeten bevragen. Daarom werd het besluit vernietigd wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel uit artikel 3:2 Awb Pro.
De aangevallen uitspraak werd eveneens vernietigd. Het UWV moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van de overwegingen. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van griffierechten.
Uitkomst: Het besluit van het UWV om het voorschot op de WW-uitkering op nihil te stellen wordt vernietigd wegens onzorgvuldige voorbereiding.