ECLI:NL:CRVB:2006:AY9935
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag uit uitzendovereenkomst
Betrokkene was vanaf juni 2004 werkzaam via een uitzendovereenkomst bij een inlener met een vermoedelijke einddatum van 25 oktober 2004. Kort voor deze datum werd hem medegedeeld dat de tewerkstelling mogelijk met circa drie maanden zou worden verlengd. Op 3 november 2004 werd betrokkene op staande voet ontslagen door de inlener.
Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, weigerde de WW-uitkering op grond van verwijtbare werkloosheid wegens het weigeren van een visitatie en het bedreigen van een beveiligingsbeambte. De rechtbank Roermond vernietigde dit besluit vanwege een onvoldoende zorgvuldige voorbereiding, met name het ontbreken van onderzoek naar de duur van de uitzendopdracht en de mogelijke matiging van de maatregel bij verminderde verwijtbaarheid.
In hoger beroep betwistte appellant dat de resterende duur van het dienstverband relevant is voor de maatregel, tenzij sprake is van een benadelingshandeling. De Raad oordeelde dat nader onderzoek naar de einddatum niet vereist was omdat de inlener slechts aangaf dat het een opdracht voor langere tijd betrof zonder exacte einddatum. De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.