ECLI:NL:CRVB:2006:AY9948
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Intrekking WW-uitkering en terugvordering wegens vermeende werknemersfraude niet zorgvuldig vastgesteld
Appellant ontving vanaf 14 februari 2001 een WW-uitkering die later werd beëindigd vanwege hervatting van werkzaamheden. Het UWV stelde echter vast dat appellant tijdens de uitkeringsperiode mogelijk inkomsten had genoten uit dienstbetrekkingen bij een bedrijf en een uitzendbureau, zonder dit te melden. Op basis van kasstortingen op zijn bankrekening concludeerde het UWV dat loon contant was uitbetaald en vorderde het onverschuldigd betaalde uitkering terug.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij niet voor genoemde werkgevers had gewerkt en dat de kasstortingen afkomstig waren van zijn zus voor huishoudelijke doeleinden. Hij stelde dat misbruik was gemaakt van zijn gegevens door de werkgevers. De Raad oordeelde dat het UWV onvoldoende onderzoek had verricht, bijvoorbeeld bij salarisadministrateurs of collega’s, en dat de kasstortingen onvoldoende bewijs vormden voor loonbetalingen.
De Raad stelde vast dat het besluit van het UWV niet met de vereiste zorgvuldigheid was genomen en vernietigde het bestreden besluit. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant. Het hoger beroep werd gegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank Rotterdam vernietigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de WW-uitkering en terugvordering wordt vernietigd.