ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0182
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- J. Brand
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Herbeoordeling WAO-uitkering na onjuiste maatstaf door UWV en rechtbank
Appellant viel op 2 januari 2002 uit wegens nek-, hoge rug-, rechterschouder- en armklachten. Het UWV beëindigde zijn Ziektewet-uitkering per 30 december 2002, omdat hij niet langer ongeschikt werd geacht voor zijn eigen werk. Vervolgens weigerde het UWV een WAO-uitkering toe te kennen, omdat appellant niet onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt zou zijn geweest. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het ontbreken van recht op ziekengeld betekent dat de wachttijd niet is vervuld.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat noch het UWV noch de rechtbank de juiste maatstaf hebben gehanteerd. De wachttijd van 52 weken vereist een zelfstandige beoordeling op basis van alle beschikbare medische en andere gegevens, waarbij het ontbreken van aanspraak op ziekengeld geen doorslaggevende betekenis heeft. Daarom worden het bestreden besluit en de uitspraak vernietigd.
Het UWV wordt opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. De proceskosten worden aan het UWV opgelegd, begroot op in totaal €1.288,-. Tevens wordt het betaalde griffierecht van €133,- aan appellant vergoed.
Uitkomst: Het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd en het UWV wordt opgedragen opnieuw te beslissen.