ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0780
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.J.H. Doornewaard
- J. Brand
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV wegens onvoldoende onderbouwing doorlopende arbeidsongeschiktheid
Werknemer was sinds november 1999 in dienst bij appellante en meldde zich op 26 oktober 2000 arbeidsongeschikt met psychische klachten. Na een hersteldmelding per 20 februari 2001 door de bedrijfsarts, die door zowel werkgever als Arbodienst schriftelijk aan het UWV werd gemeld, startte het UWV later opnieuw een beoordeling op basis van een brief van de Gemeentelijke Sociale Dienst. Het UWV kende een WAO-uitkering toe met ingang van 25 oktober 2001, uitgaande van doorlopende arbeidsongeschiktheid sinds 26 oktober 2000.
Appellante voerde aan dat er geen sprake was van doorlopende arbeidsongeschiktheid, maar van een nieuwe ziekmelding na het overeengekomen einde van het dienstverband per 28 februari 2001. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV onvoldoende had onderbouwd dat de arbeidsongeschiktheid onafgebroken was, mede omdat de hersteldmelding van februari 2001 niet doorslaggevend mocht zijn en de medische onderbouwing gebrekkig was. Zo ontbrak onder meer een gedegen lichamelijk onderzoek en was de informatie uit de curatieve sector niet overtuigend of tijdig genoeg.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit op bezwaar moet nemen. Het verzoek van appellante tot vergoeding van wettelijke rente over ten onrechte betaalde gedifferentieerde WAO-premie werd afgewezen omdat deze procedure daar niet op zag. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd vanwege onvoldoende onderbouwing van doorlopende arbeidsongeschiktheid; het UWV moet een nieuw besluit nemen.