ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0960
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- C.P.M. van der Kerkhof
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vernietigt besluit UWV over intrekking WAO-uitkering wegens niet tijdige voortzetting
Appellante, die sinds 1998 een WAO-uitkering ontving wegens arbeidsongeschiktheid, werd door het UWV op 22 september 2003 bericht dat haar aanvraag tot voortzetting van de uitkering werd afgewezen. De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige stelden een gewijzigde belastbaarheid vast, met een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit en voerde aan dat haar klachten ongewijzigd waren en dat het UWV niet tijdig had beslist over de voortzetting van haar uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde anders.
De Raad stelde vast dat het UWV niet had voldaan aan de verplichting om appellante uiterlijk vier maanden voor het verstrijken van de uitkeringsperiode schriftelijk te informeren over de mogelijkheid tot aanvraag voortzetting. Hierdoor werd de aanvraag geacht tijdig ingediend en had het UWV de uitkering moeten voortzetten totdat het besluit bekend werd gemaakt.
Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en beval het UWV een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.