ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1096

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 oktober 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-7360 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor verhuiskosten wegens ontbreken noodzakelijkheid verhuizing

Appellante vroeg bijzondere bijstand aan voor verhuis- en inrichtingskosten, welke door het College van burgemeester en wethouders van West Maas en Waal werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellante ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.

Appellante stelde dat de verhuizing naar een andere gemeente noodzakelijk was vanwege onveilige situaties voor haar kinderen in de oorspronkelijke woonplaats. De Raad oordeelde dat de noodzaak van de verhuizing niet was komen vast te staan. Er waren nog mogelijkheden om de problemen van het kind op school op te lossen zonder te verhuizen, en de verhuizing was een eigen initiatief van appellante.

De enkele melding van pesten bij de politie in 2002 vormde onvoldoende onderbouwing voor de stelling dat de situatie onveilig was. De kosten voortvloeiend uit de verhuizing konden daarom niet als noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35, eerste lid, WWB worden aangemerkt.

De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en zag geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: De aanvraag bijzondere bijstand voor verhuiskosten wordt afgewezen omdat de verhuizing niet noodzakelijk is gebleken.

Uitspraak

05/7360 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 9 november 2005, 05/874 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente West Maas en Waal (hierna: College)
Datum uitspraak: 31 oktober 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.G.M. Frerix, advocaat te Ede, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 10 oktober 2006, waar partijen - met bericht - niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellante heeft op 2 maart 2004 bij het College een aanvraag om bijzondere bijstand voor verhuis- en inrichtingskosten ingediend. Bij besluit van 23 maart 2004 heeft het College deze aanvraag afgewezen. Bij besluit van 17 februari 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 23 maart 2004 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het College onder meer overwogen dat appellante niet heeft aangetoond dat de verhuizing naar [woonplaats] noodzakelijk is geweest.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 17 februari 2005 ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft onder meer aangevoerd dat de verhuizing naar [woonplaats] noodzakelijk was omdat zij de situatie in [plaatsnaam] voor haar kinderen dermate onveilig achtte dat bij voortduring van deze situatie de kinderen in hun belangen zouden worden geschaad.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
In artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) is - voor zover hier van belang - bepaald dat onverminderd paragraaf 2.2 de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.
De Raad is met de rechtbank en het College van oordeel dat de noodzaak van de verhuizing niet is komen vast te staan. Uit de voorhanden zijnde gegevens kan worden opgemaakt dat een kind van appellante problemen had op school in [plaatsnaam]. Appellante heeft het kind op eigen initiatief naar een school in [woonplaats] overgeplaatst, terwijl uit informatie van de afdeling Welzijn, Onderwijs en Sport van de gemeente West Maas en Waal is gebleken dat er nog mogelijkheden waren om tot een oplossing van deze problematiek te komen, doch dat appellante daar niet voor open stond. Gelet hierop kan niet worden staande gehouden dat plaatsing van dat kind op een basisschool in [woonplaats] en verhuizing naar die gemeente nog de enige optie was voor appellante. Hetgeen appellante verder heeft aangevoerd brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Daarbij heeft de Raad betrokken dat de stelling van appellante dat de situatie van haar kinderen in [plaatsnaam] onveilig was, slechts is onderbouwd met een tweetal meldingen ter zake van pesten, die in november 2002 bij de politie zijn gedaan.
De uit die verhuizing voortvloeiende kosten kunnen dan ook niet als noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB worden aangemerkt.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en C. van Viegen en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2006.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) A.C. Palmboom.