ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2118
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rottier
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Beoordeling en voortzetting WAO-uitkering na bedrijfsongeval en reïntegratie
Appellant, na een bedrijfsongeval in 1997 arbeidsongeschikt geworden, kreeg een WAO-uitkering toegekend. Na herplaatsing en verslechtering van zijn gezondheid werd de mate van arbeidsongeschiktheid meerdere malen herzien, met besluiten van december 2001 en april 2003. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, dat deels niet-ontvankelijk werd verklaard wegens termijnoverschrijding.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, met het oordeel dat de besluiten van december 2001 rechtens onaantastbaar waren en dat het besluit van april 2003 slechts een weigering tot herziening was. De Centrale Raad van Beroep oordeelt anders: het besluit van april 2003 betreft een nieuwe beoordeling die volledig getoetst moet worden.
De Raad stelt vast dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig en juist is verricht, inclusief het gebruik van het CBBS-systeem, waarvoor hoge eisen aan motivering gelden. De ontbrekende motivering is alsnog gegeven. Het bestreden besluit wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand. Het beroep wordt gegrond verklaard voor het onderdeel van de voortzetting van de WAO-uitkering, de rest wordt bevestigd. Het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten en moet het griffierecht vergoeden.
Uitkomst: Het besluit over de ongewijzigde voortzetting van de WAO-uitkering per 4 april 2003 wordt vernietigd, rechtsgevolgen blijven in stand, overige besluiten worden bevestigd.