ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2181
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking bijstandsuitkering wegens onjuiste waardebepaling auto
Appellant ontving sinds 8 augustus 2002 een bijstandsuitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam schortte de bijstand op en trok deze later in vanwege een onduidelijke vermogenssituatie, met name door het bezit van een Peugeot 406 op naam van appellant.
De Raad oordeelt dat het College terecht een blokkering van de bijstand toepaste vanwege het vermoeden van een onduidelijke vermogenssituatie. Echter, de Raad stelt vast dat de waarde van de auto onjuist is vastgesteld door het College, dat zich baseerde op een verouderde ANWB-koerslijst uit 2002 terwijl de auto met schade was gekocht.
Hierdoor ontbreekt een voldoende feitelijke grondslag voor de intrekking van de bijstand. De rechtbank had dit niet onderkend, waardoor de uitspraak wordt vernietigd. De Raad verklaart het beroep gegrond, vernietigt het besluit tot intrekking en beveelt het College een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Tot slot veroordeelt de Raad het College in de proceskosten van appellant en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wordt vernietigd vanwege onjuiste waardebepaling van de auto; het College moet een nieuw besluit nemen.