ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2185
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- B.M. van Dun
- H.Th. van der Meer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WW-uitkering wegens vermeende benadelingshandeling
Appellant was werkzaam als kok op basis van een uitzendovereenkomst fase 2 die liep tot 24 september 2003. Op 12 juli 2003 is een uitzendovereenkomst fase 3 aangegaan met een looptijd van drie maanden, waardoor appellant eerder werkloos werd dan wanneer deze overeenkomst pas per 24 september 2003 was ingegaan.
Het UWV weigerde aanvankelijk de WW-uitkering en legde een maatregel op wegens een vermeende benadelingshandeling: appellant zou onvoldoende voor zijn rechten zijn opgekomen door niet te verzoeken de fase 3 overeenkomst later te laten ingaan, waardoor het Algemeen Werkloosheidsfonds werd benadeeld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat appellant met succes bij zijn werkgever had kunnen aandringen op een latere aanvang van de fase 3 overeenkomst. De Raad overwoog dat de werkgever niet verplicht was een fase 3 overeenkomst aan te bieden en dat het verzoek van appellant gevolgen had kunnen hebben voor de arbeidsrelatie.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak en bepaalde dat het UWV opnieuw moet beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.
Uitkomst: Het besluit van het UWV tot weigering van de WW-uitkering wegens vermeende benadelingshandeling wordt vernietigd en het UWV moet opnieuw beslissen.