ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2916
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C. Bruning
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit WAO-uitkering na medische en arbeidskundige beoordeling
Appellant stelde beroep in tegen het besluit van het UWV waarin hem een WAO-uitkering werd geweigerd omdat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt zou zijn na afloop van de wachttijd. Het bezwaarbesluit van 10 december 2003 kende appellant alsnog een uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% vanaf 29 augustus 2003.
De medische beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts concludeerde dat appellant beperkingen ondervond door colitis ulcerosa, dyspepsie, depressie en epilepsie. De arbeidskundige beoordeling gebruikte het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) om functies te selecteren, wat leidde tot een verlies aan verdiencapaciteit van 51%. De rechtbank oordeelde dat deze medische en arbeidskundige gronden deugdelijke basis vormden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het bestreden besluit niet voldoet aan de vereisten van de Algemene wet bestuursrecht (artikelen 3:2 en 7:12, tweede lid) en vernietigt het besluit en de aangevallen uitspraak. De rechtsgevolgen blijven echter in stand op grond van artikel 8:72, derde lid, Awb. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant in eerste aanleg en hoger beroep.
Appellant en zijn gemachtigde waren niet aanwezig bij de zitting, het UWV werd vertegenwoordigd. De Raad verwijst naar eerdere uitspraken over de toepassing van het CBBS en benadrukt dat latere verslechteringen van de gezondheidstoestand niet in aanmerking kunnen worden genomen voor de datum van 29 augustus 2003.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd, het beroep gegrond verklaard, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.