ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2922
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C. Bruning
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering na eerstejaarsherbeoordeling
Appellante, die sinds 21 september 1998 wegens psychische klachten arbeidsongeschikt was, kreeg vanaf 17 september 1999 een WAO-uitkering toegekend van 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid. Na een eerstejaarsherbeoordeling besloot het Uwv op 23 januari 2002 dat haar arbeidsongeschiktheid was gedaald tot minder dan 15%, waarna de uitkering werd stopgezet. Na bezwaar en beroep werd dit besluit herzien tot een arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65% per 1 februari 2002.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het herzieningsbesluit ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij op de datum in geding meer beperkt was dan vastgesteld, onderbouwd met medische verklaringen van psychologen en psychiaters. Tevens stelde zij dat de gebruikte functies voor de schatting niet actueel waren en onvoldoende rekening hielden met haar beperkingen.
De Raad oordeelde dat de medische informatie geen aanleiding gaf het oordeel van het Uwv te wijzigen, aangezien verergering van haar toestand zich na de datum in geding voordeed en zij op die datum niet ernstig depressief of angstig was. Ook de arbeidskundige beoordeling van de functies werd als voldoende actueel en passend beschouwd. De Raad bevestigde daarom het besluit van het Uwv en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de herziening van de WAO-uitkering per 1 februari 2002 wordt bevestigd.