ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2942
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- A.B.J. van der Ham
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Onterecht ingetrokken bijstandsuitkering wegens vermeende gezamenlijke huishouding
Appellant ontving sinds 1997 een bijstandsuitkering. Het College van B&W Amsterdam trok deze uitkering per 26 januari 2004 in, omdat appellant naar hun oordeel een gezamenlijke huishouding voerde met [Z.-L.]. Dit werd onderzocht na een melding en bevestiging door huisbezoek en verklaringen van buurtbewoners.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigde deze uitspraak. De Raad stelde vast dat de rechtbank onterecht de grondslag van het besluit had uitgebreid en dat het College onvoldoende bewijs had geleverd dat [Z.-L.] haar hoofdverblijf bij appellant had.
De Raad oordeelde dat de persoonlijke bezittingen van [Z.-L.] in de woning onvoldoende zijn om een gezamenlijke huishouding aan te nemen, mede gezien de verklaringen van appellant dat [Z.-L.] slechts sporadisch verbleef. Het besluit van 29 juni 2004 werd daarom vernietigd en het primaire besluit van 8 april 2004 herroepen.
Daarnaast veroordeelde de Raad het College in de proceskosten en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan appellant wordt vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de bijstandsuitkering wordt vernietigd en het primaire besluit herroepen wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijke huishouding.