ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2946
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- A.B.J. van der Ham
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens vermeende gezamenlijke huishouding onterecht
Appellante ontving sinds 1996 een bijstandsuitkering. Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam trok deze uitkering in per 21 oktober 2003 wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met een ander persoon, [S.], zonder dit te melden. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond maar handhaafde de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit.
In hoger beroep stelde de Centrale Raad van Beroep vast dat onvoldoende bewijs bestond dat appellante en [S.] daadwerkelijk een gezamenlijke huishouding voerden. Hoewel [S.] incidenteel bij appellante verbleef, was hij ingeschreven op een ander adres en was onduidelijk aan wie de aangetroffen herenkleding behoorde. Ook de verklaringen van buurtbewoners boden onvoldoende steun.
De Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand had gelaten. Het primaire besluit tot intrekking van 28 oktober 2003 werd herroepen. Tevens werd het College veroordeeld in de proceskosten van appellante en werd het griffierecht vergoed.
Uitkomst: Het primaire besluit tot intrekking van de bijstand wordt herroepen wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijke huishouding.