ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2997
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde WW-uitkering na herstel dienstverband
Appellant was sinds 1993 in dienst bij een werkgever en werd per 1 mei 2004 ontslagen wegens het ontbreken van een werkplek. In een kantongerechtsprocedure werd een schikking getroffen waarbij appellant een nabetaling ontving voor de periode mei tot en met december 2004. Het UWV kende appellant vanaf 3 mei 2004 een WW-uitkering toe.
Later werd het dienstverband met terugwerkende kracht hersteld tot 1 mei 2004, bevestigd door de werkgever en appellant. Het UWV besloot daarop de WW-uitkering vanaf 3 mei 2004 te beëindigen en de onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de nabetaling loon was en geen vergoeding volgens de kantonrechtersformule.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat geen sprake was van herstel van het dienstverband en dat de nabetaling een vergoeding betrof. De Raad stelde vast dat het dienstverband met terugwerkende kracht was hersteld, gebaseerd op correspondentie van werkgever en appellant. De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat de nabetaling loon was, waardoor het recht op WW-uitkering ontbrak. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de onverschuldigd betaalde WW-uitkering bevestigd.