ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3413
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit arbeidsverplichtingen WWB wegens onjuiste wettelijke grondslag
Appellante ontving een bijstandsuitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en maakte bezwaar tegen een besluit van 18 maart 2004 waarin arbeidsverplichtingen werden opgelegd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar appellante ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad onderzocht vanaf welke datum het College van burgemeester en wethouders van Utrecht artikel 9, tweede lid, van de WWB kon toepassen. Uit stukken bleek dat de gefaseerde invoering van de WWB in Utrecht pas op 31 maart 2004 integraal van kracht werd, waardoor het besluit van 18 maart 2004 op een onjuiste wettelijke grondslag berustte. Daarom vernietigde de Raad het besluit en verklaarde het beroep gegrond.
Vervolgens beoordeelde de Raad of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand konden blijven. Het College had op medische en arbeidskundige adviezen van Reaned en SagEnn gebaseerd dat appellante ondanks beperkingen maximaal 40 uur per week arbeid kon verrichten. Het College verleende ontheffing van bepaalde arbeidsverplichtingen zolang zij een reïntegratietraject volgde. De Raad vond dat het College dit besluit met de vereiste zorgvuldigheid had genomen en dat er geen objectieve medische gegevens waren die dit oordeel ondermijnden.
Daarom bleef de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. De Raad wees tevens het betaalde griffierecht aan appellante toe en veroordeelde het College niet in proceskosten.
Uitkomst: Het besluit van 18 maart 2004 wordt vernietigd wegens onjuiste wettelijke grondslag, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.