ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3421
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand en terugvordering voorschot wegens feitelijke verblijfplaats in Sneek
Appellante vroeg op 9 april 2003 bijstand aan op grond van de Algemene bijstandswet (Abw), waarbij zij aangaf in Amsterdam te wonen. Later meldde zij haar voorgenomen verhuizing naar Sneek en overhandigde een bewijs van inschrijving bij het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) in Sneek. Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees de aanvraag af omdat appellante feitelijk in Sneek verbleef.
Appellante maakte bezwaar tegen de besluiten en stelde dat zij vanwege bedreigingen tijdelijk in Sneek verbleef, maar haar woonplaats Amsterdam bleef. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen het uitblijven van een besluit niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaartermijn en verklaarde het beroep tegen het College ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar verblijf in Sneek tijdelijk was vanwege intimidatie.
De Raad oordeelde dat het feitelijk verblijf van appellante in Sneek van maart tot december 2003 vaststond en dat zij zich had ingeschreven bij het CWI in Sneek. De Raad vond dat geen sprake was van een kortdurend verblijf buiten Amsterdam, maar van een verplaatsing van woonplaats. Daarom was het College terecht uitgegaan van Sneek als woonplaats en was er geen recht op bijstand vanuit Amsterdam. Het hoger beroep werd verworpen en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van bijzondere bijstand bevestigd.