ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3482

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-5532 WSF
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:56 AwbArt. 8:75 AwbArt. 6.10 Wsf 2000
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank wegens schending procesbelangen bij draagkrachtmeting verzoek

Appellant diende een verzoek in voor een draagkrachtmeting met terugwerkende kracht per 1 september 2003, dat door de IB-Groep werd afgewezen omdat draagkracht alleen kan worden vastgesteld vanaf de eerste dag van de maand na het verzoek. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat terugwerkende kracht niet mogelijk is op grond van artikel 6.10 Wsf 2000 en dat het vertrouwensbeginsel niet slaagt wegens onvoldoende toezeggingen.

In hoger beroep stelde appellant dat zijn gemachtigde geen uitnodiging voor de zitting had ontvangen omdat deze naar een verkeerd adres was gestuurd. De Raad oordeelde dat de rechtbank hiermee in strijd handelde met artikel 8:56 Awb Pro, een voorschrift van openbare orde, en dat appellant daardoor in zijn procesbelangen was geschaad doordat hij niet aanwezig kon zijn of zich kon laten vertegenwoordigen.

De Raad vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank, maar besloot de zaak niet terug te verwijzen omdat verdere behandeling niet noodzakelijk werd geacht. De Raad verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde de IB-Groep tot vergoeding van de proceskosten van appellant in eerste aanleg en hoger beroep, alsmede het griffierecht.

De Raad sloot zich aan bij de rechtbank dat de informatie uit folders en door medewerkers gegeven informatie onvoldoende was om appellant gerechtvaardigd te laten vertrouwen dat een verzoek om draagkrachtmeting met terugwerkende kracht zou worden gehonoreerd. De omstandigheid dat appellant meende dat het geen zin had een verzoek in te dienen, werd voor zijn rekening gehouden.

De uitspraak benadrukt het belang van correcte zittingsuitnodigingen en de bescherming van procesbelangen, en bevestigt dat draagkrachtmeting niet met terugwerkende kracht kan plaatsvinden behalve in specifieke situaties die niet van toepassing waren.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de uitspraak van de rechtbank wegens schending van procesbelangen en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

05/5532 WSF
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 juli 2005, 04/1978 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).
Datum uitspraak: 17 november 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. drs. M.H.G. Plieger, advocaat te Nieuwegein, hoger beroep ingesteld.
De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2006.
Appellant is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. drs. Plieger. De IB-Groep was vertegenwoordigd door mr. M. Wiersma.
II. OVERWEGINGEN
Appellant heeft op 27 mei 2004 een verzoek om draagkrachtmeting met terugwerkende kracht per 1 september 2003 ingediend.
Bij besluit van 29 juni 2004 is dit verzoek afgewezen omdat de draagkracht pas kan worden vastgesteld met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin het verzoek is ingediend.
De IB-Groep heeft het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar bij besluit van 17 september 2004 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat op grond van artikel 6.10 van de Wet studiefinanciering (Wsf 2000) draagkrachtmeting niet met terugwerkende kracht kan plaatsvinden. Het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel slaagt niet omdat onvoldoende is komen vast te staan dat zijdens de IB-Groep ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen zijn gedaan die bij appellant tot een gerechtvaardigd vertrouwen hebben kunnen leiden. De rechtbank acht de informatie uit de door de IB-Groep verstrekte folders niet onvoldoende duidelijk of onjuist.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Namens appellant is allereerst aangevoerd dat zijn gemachtigde geen uitnodiging heeft ontvangen voor de zitting bij de rechtbank terwijl deze de zitting wel had willen bijwonen om het standpunt van appellant toe te lichten. Voorts heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hij door de IB-Groep op het verkeerde been is gezet, door de informatie uit de folder en van de medewerker in Utrecht.
De Raad overweegt als volgt.
De rechtbank heeft bij schrijven van 6 april 2005 aan de gemachtigde van appellant de kennisgeving voor de zitting van 20 mei 2005 verzonden. Deze uitnodiging is geadresseerd aan een postadres in Woerden. Appellants gemachtigde had evenwel reeds op 26 februari 2005 aan de rechtbank laten weten dat hij met ingang van 15 maart 2005 de advocatenpraktijk in Nieuwegein zou uitoefenen. Nu de rechtbank de uitnodiging voor de zitting derhalve niet aan het juiste adres heeft gezonden heeft de rechtbank appellant niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:56 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitgenodigd voor de zitting. De Raad stelt voorts vast dat appellant noch zijn gemachtigde om die reden is verschenen bij de zitting van de rechtbank. Hierdoor is appellant niet in de gelegenheid geweest de aan hem bij de wet toegekende rechten uit te oefenen - in casu om bij de behandeling van de zaak ter zitting in persoon aanwezig te zijn en/of zich aldaar te laten vertegenwoordigen - en is hij daardoor in zijn processuele belangen geschaad.
Artikel 8:56 van Pro de Awb betreft een voorschrift van openbare orde.
Dit leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak niet rechtmatig tot stand is gekomen en dat die uitspraak dientengevolge voor vernietiging in aanmerking komt en terugwijzing naar de rechtbank in beginsel aangewezen is. De Raad heeft echter de bevoegdheid de zaak zelf af te doen. Gelet op de gedingstukken acht de Raad verdere behandeling door de rechtbank niet noodzakelijk zodat de zaak niet behoeft te worden teruggewezen naar de rechtbank.
Met betrekking tot de stelling van appellant dat hij door de informatie van de IB-Groep op het verkeerde been is gezet met betrekking tot zijn kansen om een verzoek om draagkrachtmeting gehonoreerd te zien sluit de Raad zich aan bij hetgeen de rechtbank ter zake heeft overwogen.
De Raad voegt daar nog het volgende aan toe.
De omstandigheid dat appellant meende dat het geen zin had om een dergelijk verzoek in te dienen, moet voor rekening van appellant blijven.
Uit de brochures blijkt slechts dat een verzoek om verlegging van het peiljaar door een zelfstandige niet wordt gehonoreerd in geval van een inkomensachteruitgang die het gevolg is van het normale beroepsrisico. Daaruit blijkt niet dat het peiljaar alleen kan worden verlegd in geval van faillissement of verkoop van het bedrijf; dit zijn voorbeelden en is geen limitatieve opsomming.
Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb de IB-Groep te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,= voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,= voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 966,=.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond;
Veroordeelt de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,=, te betalen door de Informatie Beheer Groep;
Bepaalt dat de Informatie Beheer Groep aan appellant het betaalde griffierecht van € 140, = vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en J.Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 november 2006.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.
Gw