ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3610

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-6223 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van WAO-uitkeringsbeslissing ondanks betwisting beperkingen

Appellante stelde in hoger beroep dat haar beperkingen zwaarder zijn dan vastgesteld door de UWV-verzekeringsarts en dat hiermee onvoldoende rekening is gehouden bij de beoordeling van haar WAO-uitkering. De Raad nam de feiten en omstandigheden zoals vastgesteld door de rechtbank Maastricht over en concludeerde dat appellante geen nieuwe of aanvullende medische stukken of argumenten had ingebracht die het eerdere oordeel konden wijzigen.

De Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), waarin de beperkingen en mogelijkheden van appellante zijn opgenomen, werd door de Raad als juist beoordeeld. Appellante werd beperkt geacht in diverse fysieke activiteiten zoals huidcontact, stof, rook, gassen en dampen, het hanteren van zware lasten en diverse houdingen en bewegingen. De functies die appellante werd aangeboden overschreden haar belastbaarheid niet.

Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank Maastricht bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 17 november 2006.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de eerdere uitspraak wordt bevestigd.

Uitspraak

04/6223 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 27 september 2004, 04/166 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 17 november 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M. Veenstra, werkzaam bij ARAG-Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2006. Appellante noch haar gemachtigde is verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door H.A.L. Knoben.
II. OVERWEGINGEN
De Raad neemt als vaststaand aan de feiten en omstandigheden vermeld in de aangevallen uitspraak.
De gronden van het hoger beroep komen er - kort gezegd - op neer dat met de beperkingen van appellante in onvoldoende mate rekening is gehouden. Appellante heeft zwaardere beperkingen dan door de (bezwaar)verzekeringsarts is vastgesteld.
Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt een herhaling van hetgeen door haar reeds in beroep is aangevoerd. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de grieven van appellante afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die grieven niet kunnen slagen. Evenals de rechtbank ziet de Raad geen redenen voor het oordeel dat de Functionele Mogelijkheden Lijst, waarin de beperkingen en mogelijkheden van appellante zijn opgenomen, niet juist is. Zo is appellante beperkt geacht voor wat betreft huidcontact, stof, rook, gassen en dampen, het hanteren van zware lasten, lopen, klimmen, zitten, staan, knielen, buigen/torderen, werken boven schouderhoogte en dient ze zitten, staan en lopen af te kunnen wisselen. De stukken in het dossier - waaronder medische stukken - geven geen aanleiding de stelling van appellante dat zij meer en zwaarder beperkt is dan door het Uwv is aangenomen, te volgen. Van de zijde van appellante zijn in hoger beroep geen stukken of nieuwe gezichtspunten naar voren gebracht.
De aan appellante voorgehouden functies overschrijden haar belastbaarheid als weergegeven in de FML niet.
Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 november 2006.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.