ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3669
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens nalaten passende arbeid te aanvaarden
Appellant, een voormalig internationaal vrachtwagenchauffeur, viel op 18 september 2002 uit zijn werk en ontving een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Hij vroeg een WW-uitkering aan, die door het UWV per 17 september 2003 werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid omdat appellant passende arbeid niet had aanvaard.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de aangeboden werkzaamheden passend waren en appellant deze niet had verricht. In hoger beroep betwistte appellant dit en voerde aan dat het leren van een taal geen passende arbeid was en dat hij niet kon beginnen met de stickerplakkerwerkzaamheden vanwege een vervoersafspraak die niet werd nagekomen.
De Raad oordeelde dat het taalonderwijs geen passende arbeid was, maar dat de werkzaamheden als stickerplakker wel passend waren en dat appellant naliet deze te verrichten zonder het ontstane misverstand over vervoer op te helderen. Ook het beroep op artikel 7:679 BW Pro faalde omdat appellant geen ontslag had genomen en verplicht was passende arbeid te aanvaarden.
De Raad bevestigde daarom het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank dat de WW-uitkering terecht werd geweigerd wegens het niet naleven van de verplichtingen uit de WW.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens het nalaten passende arbeid te aanvaarden.