ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3674
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- B.M. van Dun
- H.Th. van der Meer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging weigering WW-uitkering wegens onvoldoende reïntegratiebereidheid
Appellant was sinds juni 2000 in dienst als kelner minibar en viel in juli 2002 uit wegens rugklachten. Na aanpassing van zijn werkzaamheden tot restaurant- en roomservicekelner, meldde hij zich ziek in april 2004. De arbeidsovereenkomst werd ontbonden per augustus 2004 zonder vergoeding.
Appellant vroeg in augustus 2004 een WW-uitkering aan, die werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid omdat hij onvoldoende meewerkte aan reïntegratie. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en vond het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts voldoende zorgvuldig.
In hoger beroep betoogde appellant dat de aangepaste functie niet passend was vanwege lichamelijke klachten en dat het UWV onvoldoende rekening hield met zijn medische situatie. De Raad oordeelde dat het dossier onvoldoende gegevens bevatte om de geschiktheid van de functie te bevestigen en dat de bezwaarverzekeringsarts appellant zelf had moeten onderzoeken. Hierdoor was het rapport niet zorgvuldig tot stand gekomen en mocht het UWV zich niet op dit rapport baseren. De Raad vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat het UWV opnieuw moet beslissen, met vergoeding van de proceskosten aan appellant.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en het UWV moet opnieuw beslissen met vergoeding van proceskosten aan appellant.