ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3950
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid bezwaar bij intrekking bijstand en terugvordering
Appellante ontving vanaf 1985 met onderbrekingen bijstand, waarvan vanaf 1996 op basis van de Algemene bijstandswet (Abw). Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam trok bij besluiten de bijstand in en vorderde kosten terug over verschillende perioden, onder meer omdat appellante samenwoonde met haar ex-echtgenoot en een gezamenlijk inkomen had dat de bijstand oversteeg.
Appellante berustte in het besluit van 19 november 2001, waardoor dit besluit onaantastbaar werd. Het bezwaar tegen het besluit van 30 oktober 2002, waarin de bijstand werd ingetrokken en kosten werden teruggevorderd, was niet gericht tegen een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro en had daarom niet-ontvankelijk verklaard moeten worden.
De rechtbank had dit niet onderkend en verklaarde het beroep ongegrond. De Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak en verklaart het bezwaar tegen het besluit van 30 oktober 2002 voor zover het de intrekking van bijstand betreft niet-ontvankelijk. Het besluit over de terugvordering blijft in stand. Het College wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante en moet het betaalde griffierecht vergoeden.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de intrekking van bijstand wordt niet-ontvankelijk verklaard en het besluit over intrekking wordt vernietigd; de terugvordering blijft in stand.