Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4251

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 december 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06/1161 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 WWBArt. 16 WWBZiekenfondswetRegeling tandheelkundige hulp ziekenfondsverzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing bijzondere bijstand voor orthodontiekosten dochter

Appellant heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor orthodontiekosten van zijn dochter die niet door de ziektekostenverzekering werden gedekt. Het College wees de aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond. Appellant stelde dat er geen toereikende voorliggende voorziening was en dat nader onderzoek naar de noodzaak van de kosten moest plaatsvinden.

De Raad overwoog dat de Ziekenfondswet destijds een toereikende en passende voorziening bood voor tandheelkundige hulp, waardoor artikel 15, eerste lid, van de WWB in beginsel toekenning van bijzondere bijstand in de weg staat. Artikel 16 van Pro de WWB maakt uitzondering bij zeer dringende redenen, maar appellant bracht geen aanknopingspunten voor een acute noodsituatie aan.

Het College had tot 1 januari 2003 een buitenwettelijk begunstigend beleid voor aanvullende bijzondere bijstand, dat consistent was toegepast. De Raad concludeerde dat het College niet bevoegd was om bijzondere bijstand toe te kennen en dat het beleid correct was gevolgd. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van bijzondere bijstand voor orthodontiekosten wegens ontbreken van zeer dringende redenen.

Uitspraak

06/1161 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 18 januari 2006, 05/86
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen
(hierna: College)
Datum uitspraak: 5 december 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 14 november 2006, waar partijen niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
Appellant heeft op 4 oktober 2004 bijzondere bijstand aangevraagd voor de niet door de ziektekostenverzekering gedekte kosten van orthodontie ten behoeve van zijn dochter. Bij besluit van 5 oktober 2004 heeft het College de aanvraag afgewezen. Bij besluit van 8 december 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 5 oktober 2004, onder verwijzing naar artikel 15, eerste lid, van de Wet Werk en Bijstand (WWB), ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van
8 december 2004 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Daartoe heeft hij - onder meer - aangevoerd dat er geen toereikende voorliggende voorziening aanwezig is en dat nader onderzoek naar de noodzaak van de kosten dient plaats te vinden.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Ziekenfondswet gold ten tijde hier van belang voor de in geding zijnde kosten als een aan de WWB voorliggende, toereikende en passende voorziening. De Raad wijst er in dat verband nog op dat met de Regeling tandheelkundige hulp ziekenfondsverzekering beoogd werd aan een ieder een basispakket voor tandheelkundige hulp te bieden (met de nadruk op preventieve zorg) en dat naast de in artikel 6 van Pro de Regeling bedoelde voorzieningen blijkens het bepaalde in artikel 8 van Pro deze Regeling ook andere tandheelkundige hulp voor jeugdige en volwassen verzekerden beschikbaar was. Het enkele feit dat daarvoor een bijzondere indicatie gold doet daaraan niet af. Dit brengt mee dat artikel 15, eerste lid, van de WWB in beginsel aan de toekenning van bijzondere bijstand in bedoelde kosten in de weg staat.
Het eerste lid van artikel 16 van Pro de WWB biedt de mogelijkheid om in afwijking van artikel 15, eerste lid, van de WWB, in bedoelde kosten bijstand te verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Blijkens de Memorie van Toelichting dient in een dergelijk geval vast te staan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanknopingspunten om te oordelen dat in dit geval sprake is geweest van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB.
Op basis van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat het College niet de bevoegdheid toekwam om appellant bijzondere bijstand toe te kennen voor de hier besproken kosten.
Het College voerde tot 1 januari 2003 het beleid dat in aanvulling op de gemaximeerde bedragen voor de in geding zijnde kosten ingevolge de aanvullende ziektekostenverzekering nog bijzondere bijstand kon worden verleend voor de voor eigen rekening blijvende kosten tot een maximum van € 453,78. Dit beleid was van toepassing op behandelingen gestart vóór 1 januari 2003, zoals hier aan de orde.
Het door het College vastgestelde beleid moet naar het oordeel van de Raad worden gekwalificeerd als buitenwettelijk, begunstigend beleid. Naar vaste rechtspraak van de Raad betekent dit dat de aanwezigheid en de toepassing van dit beleid als gegeven wordt aanvaard, met dien verstande dat wordt getoetst of het beleid op consistente wijze is toegepast. De Raad stelt op basis van de gedingstukken vast dat het College aan appellant overeenkomstig het beleid het maximum bedrag aan bijzondere bijstand heeft verstrekt.
Hetgeen appellant overigens naar voren heeft gebracht heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en A.B.J. van der Ham en C.J. Borman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 december 2006.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) L. Jörg.
BKH 281106