ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4251
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijzondere bijstand voor orthodontiekosten dochter
Appellant heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor orthodontiekosten van zijn dochter die niet door de ziektekostenverzekering werden gedekt. Het College wees de aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond. Appellant stelde dat er geen toereikende voorliggende voorziening was en dat nader onderzoek naar de noodzaak van de kosten moest plaatsvinden.
De Raad overwoog dat de Ziekenfondswet destijds een toereikende en passende voorziening bood voor tandheelkundige hulp, waardoor artikel 15, eerste lid, van de WWB in beginsel toekenning van bijzondere bijstand in de weg staat. Artikel 16 van Pro de WWB maakt uitzondering bij zeer dringende redenen, maar appellant bracht geen aanknopingspunten voor een acute noodsituatie aan.
Het College had tot 1 januari 2003 een buitenwettelijk begunstigend beleid voor aanvullende bijzondere bijstand, dat consistent was toegepast. De Raad concludeerde dat het College niet bevoegd was om bijzondere bijstand toe te kennen en dat het beleid correct was gevolgd. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van bijzondere bijstand voor orthodontiekosten wegens ontbreken van zeer dringende redenen.