ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4962
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vernietigt uitspraak over loonsanctie werkgever bij WAO-aanvraag
Betrokkene, werkzaam als verkoopmedewerker, meldde zich ziek per 12 mei 2003 en vroeg op 15 april 2004 een WAO-uitkering aan. De werkgever leverde een re-integratieverslag dat door een arbeidsdeskundige als onvoldoende werd beoordeeld. Op 18 mei 2004 legde het UWV een loonsanctie op aan de werkgever over de periode van 10 mei tot 10 november 2004 en wees de WAO-aanvraag af.
De werkgever maakte bezwaar tegen de loonsanctie, dat op 18 oktober 2004 werd toegewezen omdat het UWV het aanvraagformulier te laat had verzonden, waardoor de aanvraag alsnog tijdig werd geacht. Het UWV herroept de loonsanctie omdat deze na het einde van de wettelijke wachttijd van 52 weken was opgelegd.
In hoger beroep stelt het UWV dat de loonsanctie een reparatoire sanctie is die moet aansluiten op de hersteltermijn. Omdat een deel van deze termijn al verstreken was, was een deel van de sanctie niet meer reparatoir en daarmee in strijd met de wet. De Raad volgt dit standpunt en vernietigt de eerdere uitspraak, verklaart het beroep ongegrond en wijst erop dat betrokkene bij aantoonbare schade een verzoek tot schadevergoeding kan indienen.
Uitkomst: De loonsanctie tegen de werkgever wordt niet opgelegd omdat deze na het verstrijken van de wachttijd is vastgesteld en daarmee onrechtmatig is.