ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5138

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 december 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-2626 AAW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 17 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening AAW-uitkeringszaak wegens ontbreken nieuwe feiten

Verzoekster heeft bij de Centrale Raad van Beroep verzocht om herziening van een eerdere uitspraak uit 2001 waarin werd geoordeeld dat zij geen recht had op een AAW-uitkering wegens onvoldoende bewijs van onafgebroken arbeidsongeschiktheid van minstens 52 weken in de periode 1 juni 1981 tot 1 april 1984.

De Raad heeft het herzieningsverzoek beoordeeld aan de hand van artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 17 van Pro de Beroepswet. Hierbij is vereist dat nieuwe feiten of omstandigheden die voor de uitspraak plaatsvonden en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, tot een andere uitspraak zouden kunnen leiden.

De door verzoekster overgelegde medische informatie van neuroloog dr. M. van Zandijcke dateert van 29 januari 2004, dus na de oorspronkelijke uitspraak, en heeft betrekking op haar medische toestand in 2004, niet in de relevante periode. De Raad concludeert dat deze informatie geen nieuwe feiten bevat die de eerdere beoordeling kunnen wijzigen.

Daarom wijst de Raad het verzoek om herziening af en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 22 december 2006.

Uitkomst: Het verzoek om herziening van de uitspraak over het recht op AAW-uitkering wordt afgewezen.

Uitspraak

06/2626 AAW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 17 van Pro de Beroepswet op het verzoek om herziening van:
[verzoekster] (hierna: verzoekster),
van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 augustus 2001, 98/8413,
in het geding tussen:
verzoekster
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv) als rechtsopvolger van het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
Datum uitspraak: 22 december 2006
I. PROCESVERLOOP
Verzoekster heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van
10 augustus 2001, 98/8413.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2006. Verzoekster is in persoon verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. R.A. Kneefel.
II. OVERWEGINGEN
Ingevolge artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 17 van Pro de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
In de uitspraak van 10 augustus 2001 heeft de Raad overwogen dat er onvoldoende grond bestaat voor de opvatting dat verzoekster in de periode waarover het Uwv had te oordelen (1 juni 1981 tot 1 april 1984) gedurende een tijdvak van tenminste 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt was in de zin van de Algemene Arbeidsongeschikt-heidswet (AAW). Verzoekster heeft daarom geen recht op een AAW-uitkering.
Naar aanleiding van het herzieningsverzoek overweegt de Raad dat de door verzoekster overgelegde informatie van de neuroloog dr. M. van Zandijcke geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88 van Pro de Awb bevat. De brief van
Van Zandijcke dateert van 29 januari 2004, derhalve van ná de uitspraak van de Raad, en bevat geen informatie met betrekking tot de medische situatie van verzoekster in de periode 1 juni 1981 tot 1 april 1984, zijnde de periode waarop de uitspraak, waarvan herziening wordt verzocht, betrekking heeft. Van Zandijcke geeft immers slechts een beschrijving van de medische situatie van verzoekster ten tijde van de poliklinische raadpleging op 16 januari 2004. Aan de hiervoor onder a geformuleerde voorwaarde is derhalve niet voldaan.
Voorts blijkt uit de informatie slechts dat een deel van de klachten van verzoekster wordt geobjectiveerd door afwijkingen bij neurofysiologisch onderzoek; mogelijk is er sprake van MS. Deze informatie geeft evenwel geen grond voor twijfel aan de juistheid van de bevindingen van de destijds ingeschakelde verzekeringsartsen alsmede de deskundige B.A. von Bargen en leidt evenmin tot de conclusie dat sprake is van meer beperkingen op grond van ziekte of gebrek dan waarvan de Raad bij de beoordeling in 2001 is uitgegaan. Aan de hiervoor onder c geformuleerde voorwaarde is derhalve evenmin voldaan.
Het verzoek om herziening dient daarom te worden afgewezen.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en
J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 december 2006.
(get.) J. Janssen.
(get.) D.W.M. Kaldenhoven.
SSw