ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5147
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van WAO-uitkeringsbesluiten ondanks bezwaar over medische en loonkundige beoordeling
Appellant was technisch consultant quality management en viel in maart 2000 uit wegens ziekte. Het UWV kende hem een WAO-uitkering toe op basis van een arbeidsongeschiktheid van 35-45%. Na vernietiging van het einde wachttijd besluit door de rechtbank, stelde het UWV bij nieuw besluit de arbeidsongeschiktheid vast op 65-80%. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten en voerde aan dat het UWV niet zorgvuldig had gehandeld door niet opnieuw de behandelend sector te raadplegen en dat de medische beoordeling onjuist was.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen de besluiten van 18 oktober 2002 niet-ontvankelijk en de beroepen tegen de besluiten van 24 april 2003 ongegrond. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. Deze oordeelde dat het besluit over de loonkundige vergelijking (besluit 1) terecht was genomen op basis van het door appellant ingevulde inlichtingenformulier en salarisstrook, ondanks enige inconsistenties.
Ten aanzien van het tweede besluit (besluit 2) waarin het UWV weigerde de uitkering te verhogen per 6 november 2001, oordeelde de Raad dat de medische beoordeling door de verzekeringsarts, inclusief raadpleging van de behandelend cardioloog, voldoende was en dat een nieuw medisch onderzoek niet noodzakelijk was. De Raad bevestigde dat de beperkingen per 7 maart 2001 en 6 november 2001 gelijk waren en dat het UWV zorgvuldig had gehandeld.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de aangevallen uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de rechtbankuitspraak en verklaart het hoger beroep van appellant ongegrond.