ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5213

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 december 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-4059 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering naar 35-45% arbeidsongeschiktheid

Appellant stelde in hoger beroep dat hij niet tot arbeid in staat is vanwege psychische beperkingen en lichamelijke klachten, waaronder angst voor inspanning door een hartinfarct en familiale hartklachten. De rechtbank had echter vastgesteld dat het UWV de WAO-uitkering terecht had herzien van 80-100% naar 35-45% arbeidsongeschiktheid.

De Raad nam de feiten uit de eerdere uitspraak over en verwierp het standpunt van appellant dat hij volledig arbeidsongeschikt is. Het door appellant ingebrachte psychiatrisch rapport werd niet overtuigend geacht, mede omdat de psychiater zelf aangaf dat de situatie op de datum van herziening moeilijk te beoordelen was en appellant niet onder behandeling was.

De bezwaarverzekeringsarts concludeerde dat er geen onderbouwing was voor de door appellant gestelde psychische beperkingen op de datum in kwestie. De Raad achtte voldoende functies met voldoende arbeidsplaatsen binnen de belastbaarheid van appellant beschikbaar.

Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De uitspraak werd op 15 december 2006 door de Centrale Raad van Beroep gedaan.

Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering naar 35-45% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd en het hoger beroep van appellant wordt afgewezen.

Uitspraak

04/4059 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank 's Hertogenbosch van 16 juni 2004, 03/125 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 15 december 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. C.J.F. Kemperman, advocaat te Etten-Leur, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 22 september 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M.A.J. Weitering, kantoorgenoot van mr. Kemperman. Het Uwv was vertegenwoordigd door E.H.J.A. Olthof.
II. OVERWEGINGEN
De Raad neemt als vaststaand aan de feiten en omstandigheden vermeld in de aangevallen uitspraak.
In de aangevallen uitspraak is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het Uwv terecht appellants WAO-uitkering, berekend naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%, per 25 juni 2002 heeft herzien en nader vastgesteld naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%.
In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hij niet tot het verrichten van arbeid in staat is. De verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts hebben de psychische beperkingen die bij appellant aanwezig zijn niet goed ingeschat. Onder andere door het hem overkomen hartinfarct en de hartklachten die bij hem en zijn familie aanwezig zijn, heeft hij grote angst zich in te spannen. Door het Uwv is wel erkend dat appellant psychische beperkingen heeft, maar met de beperkingen is in onvoldoende mate rekening gehouden. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant desgevraagd meegedeeld dat de eerdere aangevoerde gronden met betrekking tot de lichamelijke klachten niet langer gehandhaafd blijven.
De Raad volgt appellant niet in zijn standpunt dat hij niet tot het verrichten van arbeid in staat is en dat de bevindingen van de verzekeringsarts onjuist zijn. De Raad acht voor het standpunt van appellant geen aanknopingspunten gelegen in het door appellant in hoger beroep ingebrachte rapport van psychiater J. van Borssum Waalkes van 15 februari 2005 en het rapport van drs. R.I. Teulings van 4 april 2005. Van Borssum Waalkes heeft weliswaar psychische beperkingen geconstateerd, maar heeft ook aangegeven dat de situatie op de datum in geding (25 juni 2002) moeilijk in te schatten is en dat hij zich heeft gebaseerd op het relaas van appellant. De Raad sluit zich aan bij de reactie op dat rapport van de bezwaarverzekeringsarts A. Deitz van 24 juni 2005. Deitz heeft zich op het standpunt gesteld dat Van Borssum Waalkes bij appellant bij het psychiatrisch onderzoek geen of nauwelijks afwijkingen heeft gevonden. Deitz acht niet onderbouwd en niet aannemelijk dat appellant op de in geding zijnde datum de door Teulings beschreven psychische beperkingen zou hebben. De Raad voegt hieraan toe dat Van Borssum Waalkes in zijn reactie op het rapport van Deitz heeft aangegeven dat appellant al voor de in geding zijnde datum psychiatrische klachten had, maar nu de psychiater daaraan heeft toegevoegd dat het lastig is om met terugwerkende kracht de situatie in te schatten en dat hij alleen af heeft kunnen gaan op het verhaal van appellant (appellant is immers niet onder psychische behandeling geweest), acht de Raad de stelling van appellant dat hij niet belastbaar is, niet overtuigend onderbouwd.
De Raad is voorts van oordeel dat aan appellant voldoende functies met voldoende arbeidsplaatsen zijn voorgehouden, die vallen binnen de belastbaarheid van appellant en de conclusie rechtvaardigen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de WAO terecht is vastgesteld op 35-45%.
Gezien het vorenstaande kan het hoger beroep niet slagen en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 december 2006.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.
MR