ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5410
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde WW-uitkering zonder dringende redenen
Appellant diende een aanvraag in voor een WW-uitkering met ingang van 11 juni 2004, welke aanvankelijk werd toegekend met ingang van 1 oktober 2004. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) besloot later het recht op de uitkering met ingang van 11 juni 2004 te ontzeggen en trok de toegekende uitkering in. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat geen dringende redenen bestonden om af te zien van terugvordering van de onverschuldigd betaalde uitkering.
In hoger beroep betwist appellant dit oordeel en voert aan dat het herzieningsbesluit niet standhoudt en dat zijn financiële en privéproblemen dringende redenen vormen om niet terug te vorderen. De Raad overweegt dat appellant niet heeft betwist dat hij van 7 maart 2005 tot en met 24 april 2005 ten onrechte WW-uitkering heeft ontvangen. Volgens artikel 36 van Pro de WW dient het Uwv deze onverschuldigde betalingen terug te vorderen, tenzij dringende redenen aanwezig zijn.
De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat de door appellant aangevoerde omstandigheden geen dringende redenen opleveren die tot afzien van terugvordering leiden. Het bestreden besluit wordt daarom bevestigd en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van onverschuldigde WW-uitkering en wijst het beroep van appellant af wegens ontbreken van dringende redenen.