ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5455
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Weigering WAO-uitkering wegens geschiktheid voor gangbare arbeid en procesbelang bezwaar
Betrokkene, werkzaam als kraanmachinist, viel uit wegens klachten aan de rechterarm. Een bedrijfsarts stelde vast dat hij niet geschikt was voor zijn eigen functie, maar wel voor gangbare arbeid. Op basis van een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) en een arbeidsdeskundig onderzoek concludeerde het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) dat betrokkene minder dan 15% arbeidsongeschikt was en weigerde daarom een WAO-uitkering.
Betrokkene maakte bezwaar tegen de motivering van de weigering, stellende dat hij wel geschikt was voor zijn eigen werk, omdat hij bepaalde werkzaamheden al jaren niet meer verrichtte. Het UWV verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang, omdat betrokkene met het bezwaar niets anders kon bereiken dan de oorspronkelijke weigering.
De rechtbank oordeelde dat betrokkene wel degelijk procesbelang had, omdat het van algemeen belang is dat de verdiencapaciteit op een juiste grondslag berust en betrokkene stelt geschikt te zijn voor zijn eigen werk. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en oordeelt dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Tevens veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: Het bezwaar van betrokkene is ontvankelijk verklaard en het UWV is veroordeeld in de proceskosten.