Uitspraak
20 juni 2012, 12/620 (aangevallen uitspraak)
mr. W. de Rooy-Bal.
Centrale Raad van Beroep
Appellant was werkzaam als warehouseoperator/orderpicker en meldde zich ziek met rug-, schouder- en psychische klachten. Na onderzoek door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige werd vastgesteld dat appellant ongeschikt was voor de maatgevende arbeid, maar geschikt voor passende arbeid, wat leidde tot een afwijzing van de WIA-uitkering door het UWV.
Appellant voerde bezwaar aan tegen deze beslissing en stelde dat hij wel geschikt was voor zijn eigen werk, mede omdat hij het werk twee jaar had verricht en een re-integratietraject had doorlopen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het UWV voldoende had gemotiveerd waarom appellant ongeschikt was, mede vanwege de fysieke belasting van het werk, zoals het gebruik van ladders.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef de eerdere beoordeling. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende medische onderbouwing had geleverd om zijn geschiktheid aan te tonen en dat de fysieke beperkingen en functiebelasting het werk te zwaar maakten. Het beroep werd verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant ongeschikt is voor de maatgevende arbeid en daarom geen recht heeft op een WIA-uitkering.